|
Door de straat trekt een optocht met alle kinderen uit
Miekes groep. Ze zingen zo hard ze kunnen en zwaaien
met hun palmpaasstok. Wouter, het kleine broertje van
Mieke, wil ook graag meedoen. Maar eerst moet hij met
mamma een broodhaantje kopen. Bij de bakker is heel
veel te zien: eieren van chocolade in alle soorten en
maten en een grote paashaas.
'Wat doet dat konijn?' vraagt Wouter.
Mamma legt hem uit dat dat nou de paashaas is, die de
eieren rondbrengt. Pappa vertelt de verhalen die bij
Pasen horen. En de kinderen? Die gaan eieren verven,
eieren zoeken en
eieren tikken bij het paasontbijt!
Jacques:
Toen mijn eerste boek uitkwam, waren mijn kinderen Boris
en Casper nog kleuters. Die rotschool met die fijne
klas was nog veel te moeilijk voor hen.
Daar waren ze heel boos over. Ze vonden het maar stom
dat hun vader boeken schreef voor andere kinderen en
niet voor zijn eigen zoontjes. Daarom ben ik ook voor
kleuters gaan schrijven. En ik dacht: ik ga ook boeken
maken voor kinderen die net kunnen lezen. Als Boris
en Casper dan in groep drie komen, kunnen ze zelf mijn
boeken lezen.
Ze hebben me ook heel vaak op ideeën gebracht voor
verhalen. Toen ze klein waren, haalden ze soms de gekste
dingen uit. Die zijn bijvoorbeeld terechtgekomen in
Nog een nachtje slapen, Zaterdagmorgen/zondagmorgen
en Tommie en Lotje.
|