Een aangrijpend verhaal over vriendschap
Van jongs af aan weet Stef dat hij later – net als zijn vader en broer – mijnwerker wil worden. Zijn beste vriend Victor wil dat ook. Ze hebben elkaar beloofd dat ze later sámen ‘naar beneden’ zullen gaan. En dat ondanks het feit dat Victors vader in de mijn verongelukt is.
De jongens hebben er een speciale, geheime club voor opgericht waar niemand anders lid van mag worden. Maar de stoere Wietske denkt daar anders over: zij wil bij de club, want zij wil later ook de mijn in. Dat kan natuurlijk niet, meisjes mogen nooit naar beneden. De jongens vinden het uiteindelijk goed dat Wietske lid wordt, maar dan moet ze eerst een test doen.
Een humoristisch, maar ook aangrijpend boek over de vriendschap tussen drie mijnwerkerskinderen in de jaren vijftig, de tijd dat de steenkoolmijnen in Zuid-Limburg nog volop in bedrijf waren.
Jacques:
‘Ik groeide op in Brabant maar mocht ik wel eens met mijn vader mee naar Zuid-Limburg. Mijn vader was naast hoteleigenaar ook nog parttime vertegenwoordiger in jenever en moest voor zijn werk vaak in Heerlen en Vaals zijn.
Ik herinner mij uit die tijd nog de indrukwekkende mijngebouwen, de schachten, de steenbergen en mijnwerkersdorpen (de ‘koloníé’s’).
De mijncomplexen zag ik als enorme kastelen.
Op de lagere school in Helmond vertelde de meester (of eigenlijk was het een ‘Broeder’) over de mijnen. Dan liet hij een grote plaat zien met een doorsnee van een mijn en dan dacht ik: ‘Dat heb ik in het echt gezien!”
Toen ik zélf in 1998 naar Zuid-Limburg verhuisde, drong het ineens tot me door dat de mijnen helemaal verdwenen waren. Letterlijk onder de grond gestopt. Natuurlijk wist ik wel dat de laatste mijn in 1974 gesloten was, maar ik vond het raar dat inmiddels ook alle sporen waren uitgewist.
Van die ‘kastelen’ is nu niets meer over. Het enige wat nog rest zijn een paar steenbergen, maar die zijn inmiddels veranderd in skibanen of pretparken.
En een mijnschacht die weggestopt is op een parkeerterrein in Heerlen.
Ik sprak hierover met oud-mijnwerkers en toen werd het allemaal nog vreemder. Tienduizenden mensen hebben jarenlang in de mijnen gewerkt. ‘De koel’ bepaalde het leven in Zuid-Limburg en ineens is alles weg.
Daarom ben ik me gaan verdiepen in de mijnen. Ik heb heel veel foto’s bekeken; met oud-mijnwerkers en met hun kinderen gepraat; veel gelezen; oude films gezien (o.m. propagandafilms waarmee jongens op de lagere school naar de mijnen werden ‘gelokt’); door mijnwerkersdorpen gedwaald; in een mijn afgedaald (dat kan nog in België) en de regionale omroep L1 stelde mij een tiendelige radiodocumentaire beschikbaar die een paar jaar geleden werd uitgezonden.
Langzaam maar zeker kreeg ik een steeds beter beeld van die tijd. Op het laatst droomde ik erover en kon ik me zelfs goed voorstellen dat ik zelf rondliep in 1958 in 'Oranjedorp’ zoals de koloníé in mijn boek heet.
Ik was zelf in 1958 net zo oud als de kinderen in het boek (11 jaar). Ik zat ook op een echte jongensschool en ‘openbare kinderen’ (net als Wietske in het boek) vielen nogal uit de toon.
En de invloed van de R.K. Kerk was in Brabant net zo groot als in Limburg.
Wat mij vooral opviel in de gesprekken met de oud-mijnwerkers was de dubbele manier waarop zij over hun leven vertelden. Enerzijds de stoerheid (je ging naar ‘het kolenfront’) en de vriendschappen ondergronds want ‘koempels’ lieten elkaar nooit in de steek.
Anderzijds de boosheid over de macht van de kerk en de mijndirectie, de arbeidsomstandigheden, de stoflongen en het feit dat na 1974 alle sporen van de mijnen letterlijk zijn uitgewist.
Of, zoals een mijnwerker mij zei: ‘Het lijkt wel alsof we ons hier in Limburg moeten schamen tegenover de rest van Nederland dat we ooit mijnen hebben gehad. Ze doen nu net of het minderwaardig werk was, terwijl wíj het toch zijn geweest die na de oorlog de economie weer op gang hebben gebracht. Heel Nederland schreeuwde om kolen! Zelfs de koningin kwam naar ons kijken.’
Daarover wilde ik een boek schrijven. Want zo gaat het bij mij altijd: als iets me ‘raakt’ dan kan ik er pas over schrijven. Een verhaal zit altijd eerst in mijn hart en wordt pas daarna een boek.
Tien torens diep, een verhaal over vriendschap
gaat over drie kinderen die opgroeien in een koloníé. De twee vrienden Stef en Victor en hun vriendinnetje Wietske. Het verhaal speelt zich af in 1958 en geeft daarmee ook een tijdsbeeld.
De mijnsluitingen kondigen zich al aan, maar de meeste mensen willen dat nog niet zien.
De kinderen beleven hun avonturen in en rondom het dorp.
Maar ze leven onder de rook van de mijn en dat drukt een onuitwisbaar stempel op hun leven. Vreugde en (soms intens) verdriet wisselen elkaar af en altijd is er weer ‘de koel’.
Ik heb geprobeerd er een grappig, spannend, maar zeker ook ontroerend boek van te maken.